De kandidaat kan een oplossingsrichting voor een probleem uitwerken tot een algoritme, daarbij standaardalgoritmen herkennen en gebruiken, en de correctheid en efficiëntie van digitale artefacten onderzoeken via de achterliggende algoritmen.
B2: Datastructuren
De kandidaat kan verschillende abstracte datastructuren met elkaar vergelijken op elegantie en efficiëntie.
B3: Automaten
De kandidaat kan eindige automaten gebruiken voor de karakterisering van bepaalde algoritmen.
B4: Grammatica’s
De kandidaat kan grammatica’s hanteren als hulpmiddel bij de beschrijving van talen.